Skip to content

Harlinger schutterij in 1655

Een stad van ‘formaat’

Dankzij haar strategische ligging en economische waarde groeide Harlingen in de 2e helft van de 16e eeuw tot de 3e stad van Friesland, na Leeuwarden en Franeker. De stad werd 3 keer uitgelegd, de stadswallen werden verbeterd of vernieuwd en er kwamen nieuwe stadspoorten. Rond 1600 had Harlingen de omvang van de huidige binnenstad en telde zij zo’n 7000-8000 inwoners.

De stad werd bewaakt door de burgerwacht, ook wel burgerschutterij genoemd. De oudst gevonden beschrijving over deze organisatie zijn ordonnantiën uit 1655. De stad was toen in volle bloei. Industrie en handel tierden welig.

De ordonnantiën vertellen niets over de mankracht, maar laten geen misverstand bestaan over de vele lagen binnen de organisatie. Zie kader.

De hogere rangen vormden de hoofdwacht en bemanden ’s nachts de adelborstkamer in het raadhuis waarvandaan de adelborsten hun rondes liepen. De laaggeplaatsten vormden de voorwacht en brachten de nacht al wakend in de stad door.

De vele boetebepalingen maken duidelijk dat er niet veel animo was de vereiste werkzaamheden te verrichten, alleen strafmaatregelen konden de taakdiensten kennelijk afdwingen.

Alle betrokkenen verzamelden zich aan het begin van de avond bij het Daendrichs-logement, vandaaruit namen zij hun plaatsen in bij de hoofd- en de voorwacht. Het is niet bekend waar dit logement lag. In de Voorstraat was rond die tijd Herberg Dantzich gevestigd. De namen lijken op elkaar, maar hebben een totaal andere betekenis. Daendrich is een oude naam voor Vaandrig, Dantzich is een stad in Polen. Of het om hetzelfde gebouw gaat is dus verre van zeker.

De dagelijkse gang van zaken bij de burgerschutterij rond 1650.

———

De voorbereiding.

Overdag bezoekt de kussendrager de huizen van de officier en adelborsten die die nacht de wacht hebben om hen of hun vrouw eraan te herinneren dat het hun beurt is. Hij neemt daarbij hun kussens mee naar het Raadhuis.

reglement 1655

———

De 1e klok.

Na het luiden van de eerste klok wordt voor het Daendrichs logement de parade gehouden. De wachtmeester leest de namen op van zij die de wacht hebben. Voorzien van geweer voeren de adelborsten vervolgens de parade uit. Er moeten tenminste 4 adelborsten op de wacht zijn. Alleen met toestemming mogen zij zich aan de wacht onttrekken, maar verzuim komt regelmatig voor. In dat geval wijst de dienstdoende hopman, daendrich of sergeant met behulp van dobbelstenen of loten een plaatsvervanger aan, die vervolgens van huis wordt opgetrommeld.

De gezworen wakers en ieder ander die op de voorwacht wordt verwacht, zoals burgers die zich vrijwillig hebben opgegeven, dienen op tijd, volledig uitgerust en met geladen geweer voor het Daendrichs logement aanwezig te zijn. Alleen de 2 bierdragers mogen zich later melden.

Als iedereen aanwezig is en de parade is gelopen deelt de wachtmeester penningen of loten aan de korporaals uit zodat zij weten waar zij wacht moeten houden en geeft dit door aan de hoofdwacht.

Na de parade blijven er tot het laatste klokluiden tenminste 2 mannen van het corps de garde bij het Daendrichs logement achter. De overige gezworen wakers marcheren met de adelborsten ‘in goede orde’ naar het Raadhuis.

De adelborsten blijven daar op de adelborstkamer totdat hun ronde gespeeld (?) is. Daarna mogen ze het raadhuis verlaten en tot het luiden van de wachtklok wegblijven. De gezworen wakers volgen de bevelen van de hopman, daendrich, sergeanten en wachtmeester op.

———

Het sluiten van de poorten.

In aanwezigheid van de hoofdofficier of sergeant, begeven tenminste 4 adelborsten en de tamboer met slaande trommel zich naar de hoofdpoort (de havenpoort) om deze te sluiten. Zij brengen daarna de sleutels, die door de officier worden gedragen, naar de dienstdoende burgemeester. De ordonnantiën maken niet duidelijk op welk tijdstip de poort wordt gesloten. Direct na de parade lijkt te vroeg, na het luiden van de wachtklok te onwaarschijnlijk omdat de poorten op dat moment vermoedelijk al gesloten moeten zijn.

———

De wachtklok.

Terwijl de parade wordt opgevoerd is de kussendrager al in de adelborstkamer om het verblijf van officier en adelborsten voor te bereiden. Direct na het opvoeren van de parade gaat ook de tamboer/tromvlagger daar naar toe. Samen blijven zij daar de hele nacht om voor de officier en de adelborsten te zorgen. Met name de kussendrager, maar ook de wachtmeester en de tamboer zorgen er voor dat er geen onbevoegde personen, zoals leden van de voorwacht, in de adelborstkamer komen. Wie dit wel doet wordt verwijderd en krijgt een aantekening die bij de eerstvolgende vergadering aan de kolonel wordt doorgegeven.

De adelborsten zijn voor het luiden van de wachtklok weer terug op het raadhuis. Zij blijven daar de hele nacht en voeren in opdracht van de wachtdoende officier hun rondes uit. Bij de voorwacht hebben zich intussen tenminste 2 bierdragers, de wachtmeester en zijn 2 assistenten en een trompetter gemeld.

———

Het laatste klokluiden.

Om de stad afdoende te bewaken moet het corps du garde over voldoende gezworen wakers en vrijwilligers beschikken. Voor het luiden van de laatste klok moeten zij, de ‘wakers’, hun plaatsen hebben ingenomen, voorzien van een geladen geweer en andere benodigdheden zoals een kaars die de hele nacht moet blijven branden. De musketiers zorgen ervoor dat hun musket in orde is en dat ze brandende lonten, 6 schoten kruit en 6 kogels bij zich hebben. Zij die geen musketier zijn, de piekeniers, verschijnen met pieken. Ook de schildwachten zullen zich uiterlijk bij het luiden van de laatste klok ‘behoorlijk’ hebben opgesteld.

———

De nacht.

De korporaals geven leiding aan het corps en zorgen ervoor dat het ten alle tijde behoorlijk functioneert. Iedereen moet de hele nacht op de wacht blijven. Niemand mag zonder toestemming het corps verlaten. Onderlinge afspraken om taken van elkaar over te nemen, zodat iemand even weg kan, zijn niet toegestaan.

De adelborsten lopen vanuit het raadhuis hun rondes. Daar mogen zij maximaal 1,5 uur over doen. De wachtmeester assisteert hen daarbij.

Bij onrust zullen de wakers elkaar de helpende hand bieden. De korporaals onthouden de namen van de naar de onlusten uitgezonden schildwachten, evenals de plaatsen waarnaar en het tijdstip waarop ze uitgezonden zijn om te weten wie de onlusten hebben begaan zodat ze adequaat gestraft kunnen worden. Als de onlusten niet door de uitgezonden wachten kunnen worden belet zullen de onruststokers door de wachten met hulp van anderen corps-leden in bewaring worden genomen en aan de hoofdwacht worden overgeleverd. Ordeverstoorders en delinquenten die door de hoofdwacht of de wachtmeester zijn opgepakt worden pas na toestemming van de zittende burgemeester vrijgelaten. Deze stelt de boete vast die wordt verdeeld over de hoofdwacht, het gerecht en de armen.

Als adelborsten of andere wachthebbende elkaar fysiek of mentaal verwonden worden ze door de wachthebbende officier gearresteerd en opgesloten.

———

De poortklok.

Na het luiden van de poortklok wordt de wacht ‘afgeslagen’. Op dezelfde wijze als bij het sluiten begeven de hoofdofficier of sergeant en tenminste 4 adelborsten zich, samen met de tamboer met slaande trommel in marcherende orde naar de burgemeester om de sleutels op te halen. Daarna gaan ze naar de hoofdpoort om deze te openen.

De bierdragers, de assistenten van de wachtmeester en de trompetter mogen de voorwacht verlaten, evenals de schildwachten die die nacht de poorten hebben bewaakt. De kussendrager brengt de kussens van de adelborsten weer naar hun huis.

———

Vergaderingen.

Er wordt regelmatig vergaderd. Wachtmeester en tamboer moeten op alle vergaderingen aanwezig zijn.