Skip to content

De burgerschutterij in Harlingen

Het oudst gevonden reglement voor de Harlinger burgerschutterij dateert uit 1655, maar ongetwijfeld bestond ze toen al een tijd. Het laatste reglement is uit 1792. Tijdens het aardappeloproer in Harlingen in 1847 mobiliseerde de burgemeester de schutterij, die toen dus nog bestond.

Noot: Onderstaande werd opgesteld voordat de ordonnantien uit 1655 waren bestudeerd en slaat vooral op de situatie eind 18e eeuw.

De schutterij werd door een kolonel geleid en telde 4 compagnieën verdeeld over de 8 Harlinger stadskwartieren. Iedere compagnie telde 4 officieren, 4 onderofficieren en 48 adelborsten. Totaal bestond de schutterij op een bevolking van ca. 7000 inwoners uit maar liefst 224 man!

De officieren werden door de burgemeester en raadslieden voor steeds 3 jaar benoemd. Zij moesten wonen in het kwartier waar hun compagnie onder viel, moesten burger van Harlingen en ‘belijder van de ware gereformeerde gemeente’ zijn.. Stadsbestuurders en bepaalde gemeenteambtenaren waren uitgesloten. De kolonel en zijn plaatsvervanger, de luitenant-kolonel, werden gekozen uit de 8 hoogste officieren

Daarnaast kon iedere mannelijke Harlinger burger tussen de 18 en 60 jaar worden opgeroepen om verplicht 3 jaar als onderofficier of adelborst te dienen. Ieder gezin hoefde daarbij niet meer dan 1 schutter te leveren en doopsgezinde burgers konden uit hoofde van hun godsdienstige overtuiging vrijstelling krijgen. Voor deze lagere functies waren niet alleen stadsbestuurders en bepaalde gemeenteambtenaren vrijgesteld, maar ook de stadspredikant, artsen en chirurgen, de rector en conrector, de bankhouder en de brandmeesters.

Liefhebbers konden zich voor perioden van 1 jaar vrijwillig opgeven. Ze moesten zelf voor hun wapens zorgen, maar kruit en lood kregen ze van de stad. Vrijwilligers draaiden niet voor de nachtwacht op, maar moesten wel deelnemen aan oefeningen en parades. En bij brand en andere noodsituaties werden ook zij opgeroepen.

Om de schutterij te bekostigen moesten alle burgers die geen actieve functie bij de schutterij vervulden wachtgeld betalen. Dit gold ook voor de doopsgezinden. In mei werden de wachtgelden in ieder stadskwartier ten overstaan van de officieren door een wachtgeldophaler geïnd. De namen van de wachtgeldplichtigen en de hoogte van hun bijdrage waren daartoe op een zogenaamde wachtrol vastgelegd. Onvermogende burgers konden worden vrijgesteld. Op zijn ronde noteerde de wachtgeldophaler de leegstaande huizen. Als zo’n huis later werd betrokken, moesten de nieuwe bewoners alsnog wachtgeld betalen.

Officieren en schutters werden regelmatig beboet, bijvoorbeeld bij verzuim of ongepast gedrag. Deze boetes, waarvan de hoogte afhankelijk was van de rang van de overtreder en de ernst van de situatie, vormden een tweede bron van inkomsten.